We Believe JesusFé, Esperança e Nova Vida

Ezekiel 35

DutSVVA: De ganse Heilige Schrift bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament, met de apocriefe (deuterocanonieke) boeken · holandês

← Ezekiel 34 Ezekiel Ezekiel 36 →

1Wijders geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende:

2Mensenkind! zet uw aangezicht tegen het gebergte Seir, en profeteer tegen hetzelve,

3En zeg tot hetzelve: Alzo zegt de Heere Heere: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seir! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een verwoesting en een strik.

4Ik zal uw steden stellen tot eenzaamheid, en gij zult een verwoesting worden, en zult weten, dat Ik de Heere ben.

5Omdat gij een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen Israëls doen wegvloeien door het geweld des zwaards, ten tijde huns verderfs, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;

6Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere; Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden, en het bloed zal u vervolgen; alzo gij het bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen.

7En Ik zal het gebergte Seir tot de uiterste verwoesting stellen; en Ik zal uit hetzelve uitroeien dien, die er doorgaat, en dien, die wederkeert.

8En Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vervullen; uw heuvelen, en uw dalen, en al uw stromen, in dezelve zullen de verslagenen van het zwaard liggen.

9Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uw steden zullen niet bewoond worden ; alzo zult gij weten, dat Ik de Heere ben.

10Omdat gij zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, ofschoon de Heere daar ware;

11Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere: Ik zal ook handelen naar uw toorn en naar uw nijdigheid, die gij uit uw haat tegen hen hebt te werk gesteld; en Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gericht hebben.

12En gij zult weten, dat Ik, de Heere, al uw lasteringen gehoord heb, die gij tegen de bergen Israëls gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest , zij zijn ons ter spijze gegeven.

13Alzo hebt gij u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord.

14Alzo zegt de Heere Heere: Gelijk het ganse land verblijd is, alzo zal Ik u de verwoesting aandoen.

15Gelijk gij u verblijd hebt over de erfenis van het huis Israëls, omdat zij verwoest is, alzo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seir, en gans Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben.

← Ezekiel 34 Ezekiel Ezekiel 36 →

Ezekiel 35 — holandês:

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939खेरलो वचनDutSVV: Dutch Statenvertaling BijbelNlCanisius1939: Petrus Canisius TranslationvlsJoNT: Het Nieuwe Testament by Nicolaas De Jonge